www.tegrazen.nl

een zomer vol gemekker … berichten uit Friesland

   10 aug

Kussentje

Ik zit in een restaurant en ruik naar schapenstront.
Het zit in grote vlekken op mijn broek en ook onder de zolen van mijn schoenen.
Ik doe alsof het heel normaal is om zo te ruiken, want ik heb honger en het regent.
Bovendien ruiken al mijn broeken inmiddels zo, dus er is niks aan te doen.
De bediening is beleefd genoeg om niets te laten merken.

Mijn eigen schaapjes ruiken lekker, echt waar. Naar natte wol, en halfverteerd gras, en gezonde buitenlucht.
Maar dit luchtje komt niet van mijn schapen.
Die staan tijdelijk geparkeerd op een weilandje met goed gras, en hebben hun herderin afgestaan aan de kudde van Henry in Oranjewoud.
Om niet een heel stuk te moeten omlopen voor het voor het begrazen van een heideterrein in de uiterste hoek van mijn project hebben we een slimme wissel bedacht.

Sommige schapen uit deze kudde hebben grote groene klonten aan de staart.
Als je de pech hebt door een groepje te worden ingehaald, of als je de verantwoordelijkheid voelt om er een paar te vangen om ze te behandelen, proberen ze je snel zo’n klont aan te smeren.
De vangstok glibbert langs de groene pootjes bij mijn pogingen om schoon te blijven. “Afstand houden van de achterkant”, mompel ik om mezelf moed in te spreken. Als je veel alleen bent ga je in jezelf praten.
Tevergeefs. In hun haast om weg te komen dringen er drie kledderkonten tegen mijn laatste schone broek.

Het uiterlijk van groene smurrie verbroedert ons enigszins, maar hoor ik er overduidelijk niet bij.
Hoe zeer ben ik inmiddels vergroeid met mijn eigen kudde!
Met Scooter die steeds even komt kijken maar die je nooit mag aaien, en Twiggy die me altijd welkom mekkert. En geen schaap dat meer voor me wegloopt…
Deze schapen zien er precies zo uit. Ze zijn even oud en even dik.
Maar in plaats van een hartelijk welkom zie ik wantrouwige ogen en allemaal onbekende gezichten.
Nooit gedacht dat dat zo’n verschil zou maken.
Hoe moet dat straks als het eind september is?
Ik wil ze nu al niet meer kwijt! Zouden ze me vergeten als het winter is?

Een ding heb ik alvast bedacht.
Ik neem Twiggy mee naar huis als hoofdkussen.


   10 aug

klussen op zondag

Het wrakke zomerhuisje van de aardige mensen ruikt naar vergane planken, vergane muizen en vergane glorie.
Niettemin is het fijn om er te mogen kamperen.
Ik slaap er lekker in mijn busje.
Overdag loop ik het huisje in en vooral uit. Dan merk ik weer hoe lekker het buiten ruikt. En hoe warm de zon is.
Er is een zitbad waarvan de afvoer lekt, een dak waarvan de goten lekken en en op sommige stukken van de vloer mag je niet lopen omdat die dan bezwijkt. De deuren zijn schouderhoog zodat je steeds moet bukken. Maar de plek is fijn stil aan de bosrand.

Het huisje is op sterven na dood.
Zelfs de eigenaren weten dat. Zij aanvaarden het als een onvermijdelijk maar nog jaren uit te stellen proces. Ondertussen nemen ze blijmoedig de gevolgen van het verval voor lief.
Zij komen er twee weken per jaar, en voor hen heeft het huis de nostalgische geur van vroeger. Het vergane vroeger, dat dan wel.

Afgelopen twee dagen waren ze er even, om te klussen. De vloer moest gerepareerd worden.
Helaas voor het huisje hebben ze andere talenten beter ontwikkeld. Zo kan de éen prachtig gitaar spelen, en de ander enorm goed bridgen. Dat zijn benijdenswaardige vaardigheden, maar in dit geval geen extra voordeel.
De noodzaak van de klus is echter overduidelijk.
Vanochtend meldden ze dat ook het tweepersoonsbed er deze nacht met éen poot doorheen was gezakt.

Ik bemoei me er een beetje tegenaan. Ik kan het niet laten.
Hoewel het bij dit huisje werkelijk beter zou zijn om het plat te gooien heb ik medelijden met het gebouwtje en haar dappere klussers. Gezamelijk repareren we de weggezakte planken bij de deur door ze met stoeptegels te stutten. Als ik vertrek om met de schapen te gaan lopen wordt het gat aan de zijkant nog aangepakt.

De slaapkamervloer is iets te veel van het goede.
Daar wordt het bed naar het midden van de kamer gesleept, waar de ondergrond steviger is. Dan is het probleem eigenlijk ook opgelost, toch?
Zo kan het huisje nog jaren mee. Tot het met een zachte plof ineens onverwachts de geest zal geven.

Wat zou ik graag zo’n huisje hebben om van de winter op te knappen.
Dan zou ik zelfs wel kunnen verdragen dat de mensen daar op zondag niet groetten.
Dat zou dan ook terecht zijn, want ’s zondags was ik aan het timmeren en schuren en dat hoort niet.


   28 jul

Wo ein guter Hirte wacht…

“De herdertjes lagen bij nahahachte, zij lagen bij nachte in de bus…”
Dat zongen drie jongetjes op een racefiets in het voorbijgaan, en ik werd er niet vrolijk van.
In Haulerwijk gaan de verhalen rond over de kudde en haar herderin.
Ik vermoed dat ze komen van al die mensen die niet gedag zeggen als je naar ze zwaait.
Dat is zo’n vreemd verschijnsel in het Blauwe Bos dat ik er nog steeds verbaasd over ben.

Wat zouden ze nou denken als ze mijn groet niet beantwoorden?
Triomfantelijk: “Hahaha, ik heb lekker niet teruggezwaaid!” bijvoorbeeld? Of: “Die ken ik niet, gauw doorfietsen!”

Ik zie ze in gedachte al samenklitten in hun koude onversierde kerk, die niet-zwaaiende grijzig geklede mannetjes en vrouwen met hun elektrische fietsen. Of kerken, want ze hebben er zeven in Haulerwijk. Voor elke dag één.

Zou die nieuwsgierige mevrouw die zo nadrukkelijk door de ramen van mijn busje gluurde soms drie zingende koorknaapjes hebben? Of zijn het de kleinkinderen van de boer die me in een goed gesprek over het Lam en de Here Gods nét niet heeft kunnen overtuigen van Zijn alom aanwezige Grootheid?
Ik ben wel een Goede Herder. Tenminste, mijn schapen varen wel. Hopelijk heeft het dorp geen behoefte om me om middernacht te komen kerstenen. Of om mijn kudde te komen redden.
Schäfe können sicher weiden, wo ein guter Hirte wacht… Bach wist het wel.
Maar ’snachts lig ik graag te pitten.
Jawel mevrouw, in mijn bus.


   28 jul

oud en nieuws

Zo, al een hele tijd niet geschreven.
Sommigen onder jullie werden al ongeduldig, wat een goed teken is. Of ongerust, maar dat is gelukkig niet nodig.

Ik ben 5 daagjes thuis geweest.
Thuis, om mijn spullen in te pakken en voor te bereiden dat ik het boshuisje ga verlaten.
En passant ook Gaby verhuisd, die haar huis in Amsterdam Noord uitmoest, en gelijk heel wat boshuismeubilair een nieuw leven gegeven in Amsterdam centrum. Dat ruimde vast lekker op.
Ik ben van plan om op zaterdag 4 september een feestelijke boshuisdag te vieren. Jullie zijn bij deze allemaal uitgenodigd.
Op de zondag daarna pak ik dan mijn laatste spullen en verhuis ik terug naar de boerderij, waar ik zal proberen de padvinders te ontwijken en zo snel mogelijk een ander onderkomen te zoeken.
Ondertussen ben ik dan natuurlijk nog tot eind september op de hei.

Eerder, vorige week, schreef ik al een onvoltooid stukje.
Nu de schapen weer in het pauzeraster staan en ik eindelijk terug ben in het zomerritme is er tijd om het af te maken en het aan de dongel toe te vertrouwen.

Goh, wat is de vloer van mijn busje schoon.
En wat ruikt het weer citroentjesfris.
Een uurtje geleden was dat nog heel anders.
Toen leek het er even op dat ik de nacht tussen de schapenkeutels door zou gaan brengen.
Mijn dappere vervoersmiddel diende vandaag namelijk als veewagen, en de drie kreupele passagieres hadden zich van onwennigheid niet in kunnen houden.
Bij aankomst was ik zo moe dat ik even heb overwogen om… maar nee, gelukkig kon ik het nog opbrengen om een warm sopje te maken en de keutellucht te lijf te gaan, anders had ik waarschijnlijk wild gedroomd.

Vandaag was de tocht der tochten. Twaalf kilometer maar liefst. Van Ontwijk bij Donkerbroek naar het Blauwe Bos bij Haulerwijk. Een hele onderneming.
Erika kwam me helpen met haar hond Enja.
Langzamerhand worden we al een echt team.
Op onze route lagen een snelweg, een voetgangerstunneltje, een brug, een dorpsstraat en een schapenweitje met texelse ooien.
En dan nog ongeveer tien kilometer b- en zandweg.
Alle spannende dingen dus in de eerste twee kilometer.

De cameraploeg was er ook weer. Deze tocht was namelijk mijn eerste grote verplaatsing zonder hulp van een professional als Henry, en dat moest worden vastgelegd.
Erika en ik waren aan elkaar gewaagd wat betreft ervaring in dit soort dingen: we hadden beiden nog nooit zo’n lange tocht gelopen met een kudde.

De eerste misrekening kwam gelijk na het bos van Ontwijk.
De schapen hadden niet veel gegeten omdat ik de route was gaan verkennen en netten moest zetten op het eindpunt. Zo’n anderhalf uur grazen in de ochtend is niet genoeg voor een hongerig gezelschap als het mijne.
De parallelweg tussen het bos en de provinciale weg heeft een hele brede berm van gras, met een diepe greppel in het midden. Mijn idee was dat de kudde netjes achter me aan over de parallelweg zou lopen, met Twiggy voorop, en dat er misschien een of twee schaapjes een hapje berm zouden nemen.
Maar in plaats op de eerste helft gras te blijven sprongen de schapen gelijk over de greppel, om elkaar in te gaan halen op het asfalt van de N381.
Nu kun je over de intelligentie van schapen veel zeggen, maar dat snelwegen zijn om er op in te halen hadden ze dus in een oogwenk bekeken.
Erika en ik kregen zowat een rolberoerte.
Terwijl de schapen vrolijk langs de asfaltrand huppelden hielden wij onze honden tegen, die we er niet omheen konden sturen omdat ze dan midden op de weg zouden lopen.
Met mijn herdersstok in de hand en een wanhopige blik in mijn ogen maande ik het verkeer tot langzamer rijden, en gelukkig lukte dat.
Voor de stapvoets rijdende auto’s lokten we de schapen weer over de greppel, en zo kwamen we heelhuids bij de volgende misrekening: het voetgangerstunneltje onder de provinciale weg.

Henry, mijn schapencoach, steun en toeverlaat had het nog gezegd; ze zullen wel langs de zijkanten gaan lopen, in plaats van erdoorheen, omdat ze een tunnel niet kennen.
Ik dacht dat het wel mee zou vallen met die bangigheid voor tunnels. Vol vertrouwen in de volgzaamheid van mijn schapen, ondanks eerdere ervaring met de snelweg, liepen we naar de ingang.
Inderdaad wandelden ze, niets mis, gelijk achter me aan de tunnelmond in….tot ze zagen dat er op de randen het lekkerste gras aller tijden stond.
Toen sprongen ze er met zijn allen tegelijk weer uit.
Hadden we ze met de hond van de ene kant afgejaagd, dan sprongen ze er aan de andere kant weer op om gretig verder te grazen.
Zo joegen we een hele tijd onze honden eromheen, gadegeslagen door heel wat publiek.
Een oud boertje vond dat we de schapen eerst moesten laten grazen. Een ander deed in de tussentijd een bod op de hond van Erika, en een derde hield voor ons de voorbijgaande auto’s in de gaten. Dat alles gefilmd door de cameraploeg natuurlijk.
Na een korte time-out blokten we de ene tunnelwand met een hond en stuurden we de aan de andere kant de overgebleven hond om de schapen heen, waarna die zich van ongeveer twee meter hoogte in het tunneltje lieten vallen. Daar was inmiddels de stroom op gang gekomen.
Muis forceerde zich een weg langs de colonne schapen en net voordat we de dorpsstraat bereikten lag ze weer op kop.
Dat was knoeien en vakwerk tegelijk.

Okee, de brug die volgde vonden ze een beetje eng, maar daar liep het vlot door. En het schapenlandje was een peulenschil omdat de eigenaar zo lief was om zijn schapen af te leiden en vast te zetten.
Vanaf daar daalde eindelijk mijn hartslag, en kon ik pas genieten van een prachtige wandeling door Ooststellingwerf met de kudde.

Nu zit ik weer in het Blauwe Bos.


   12 jul

one size fits all emergency poncho

Terwijl ik een onderhoudend praatje maakte met een man en zijn dochtertje, en Twiggy haar charmes in de strijd gooide om blaadjes gevoerd te krijgen, pakten zich ongezien achter mijn rug dreigend donkere wolken samen.

Toen ik het gerommel hoorde was het al te laat.
De man spurtte ervandoor op de fiets en ik bleef achter op de hei met een berg nietsvermoedende schapen, die de wolk gelaten over zich heen zouden laten komen.
Not me.
Snel probeerde ik met Amy de kudde in het net te krijgen.
Maar Amy is niet op haar best als het snel moet.
Dan gaat ze extra wijd door de bosjes en zomaar ergens achter een boom afwachtend staan kijken tot ik weer roep.
De schapen bleven daarom gezellig dooreten.
Opnieuw stuurde ik Amy erop af. En opnieuw duwde ze de achterste schapen een beetje op en verdween in de bosjes.
Dikke druppels begonnen te vallen.
Ik liep naar een flinke beukenboom met een prachtig dicht bladerdak en bedacht dat het zo’n vaart wel niet zou lopen. Als Amy dan perse niet wilde, dan moest het hele zootje maar natregenen. In elk geval stond ik nu veilig. Mijn tshirt plakte een beetje aan mijn rug, maar verder was ik nog redelijk droog.

Na een flinke tijd in de regen was bij Amy het kwartje toch nog gevallen.
Vol enthousiasme dreef ze alle verregende schapen naar de beukenboom, en ging lekker dicht naast me zitten.
Daar stonden we dan met zijn allen, vochtig tegen elkaar gepakt te schuilen.

De beuken van tegenwoordig zijn helaas niet meer zoals ze waren. Bomen waaronder je droog blijft bij een wolkbreuk zijn misschien zowiezo een illusie.
In elk geval was de bui erger dan ingeschat, en begonnen er al na een paar minuten straaltjes door te lekken. Jakkie. En nog koud ook.

Ineens herinnerde ik me de regenponcho die ik voor geval van nood in mijn herderstas had gestopt.
“One size fits all emergency poncho” stond op de verpakking.
Dat kwam nu goed van pas.

Natuurlijk was ik al half verregend, dat zal beslist niet meegeholpen hebben.
Met klamme handen en zonder bril probeerde ik de verpakking te openen, die voor een emergencypakket verrassend goed dicht geplakt zat. Ik verloor al snel mijn geduld en scheurde met mijn tanden de verpakking open zodat de poncho er uit kwam op een manier die niet bedoeld was. Inmiddels droop er een gestage straal vanaf de beuk mijn nek in.
De poncho plakte aan mijn natte vingers en wilde niet uitvouwen.
Verwoed schudde ik ermee. Er begon zich iets uit te rollen waar zonder bril geen voorkant aan zat. Geen opening ook.
Onderhand was er al behoorlijk wat water op het pakketje gelekt.
Het dunne plastic begon aan elkaar te plakken en wilde niet verder uitrollen.

Uiteindelijk had ik een puntje te pakken, waarmee ik het ding op en neer kon zwaaien in de hoop dat het zich als een parachute zou ontvouwen. Dat werkte. Betrekkelijk.
Na een flinke zwaai floepte het ding uit mijn vingers en kwam geopend in een plasje water terecht.

Nu kon ik het eindelijk aantrekken.
Eenmaal over mijn hoofd bleek dat de capuchon stevig gedraaid zat ten opzichte van mijn gezicht.
Het natte doorzichtig blauwe plastic kleefde vast aan mijn blote armen.
Met geen mogelijkheid kreeg ik de opening zo gedraaid dat ik er fatsoenlijk mijn hoofd door kon steken zonder het ding te scheuren.
Door de zijkant van de capuchon die nu ergens halfverwege mijn nek zat en dus niet de goede pasvorm vertoonde, lekte een klein straaltje water naar binnen. Omdat je door het dunne plastic alle druppels voelt merkte ik dat pas toen mijn rug al doorweekt was.
Gelukkig kon ik een gedeelte van de capuchon in mijn mond proppen, waardoor de achterkant strak ging staan.

Dat hielp.
Hehe.
Iets om altijd bij je te hebben, zo’n one size fits all emergency poncho.


   12 jul

bad

Terwijl heel Nederland voetbal kijkt sta ik op een doodstille hei in de avondwarmte. Het is zeldzaam vredig.
Je hoort het scheuren van grasstengels en het ritselen van schapen tussen de vuilbomen. Heel in de verte een flard van verwachtingsvolle vuvuzela’s. Zelfs de dazen, die me de hele week al belagen met hun gemene steeksnuiten kijken voetbal. Wat een heerlijke avond.

Vannacht heb ik het regenwater opgevangen in de grote cementbak die als schapendrinkbak dient. Het was een plensbui die met grote roffels mijn busje verloste van het stoffige zandpad. Zelfs vanbinnen.
Ik was zo moe van de verplaatsing, 5 km in de warmte, dat ik niet heb gemerkt dat het raampje aan de hondenkant nog half open stond. Vanochtend zag ik als eerste een beteuterde Muis met een kleddernat vachtje.
Maar ook behoorlijk wat water in de teil.

In de schemering een regenwaterbad genomen.
Het is maar goed dat ze in Donkerbroek niet weten dat er hier in het bos een herderin in een cementbak baadt.
Hoewel, als er toch eens iemand mijn rug zou komen wassen…


   09 jul

voedselrijke heide

Wat heb ik het dit keer goed getroffen op mijn nieuwe plek.
Het begon al toen Truus en Hajo onverwacht opdoken en een heerlijk avondmaal tevoorschijn toverden in hun benijdenswaardig handig ingerichte kampeerbus.
Vanaf het stoffige zandpad trokken Nico en ik daarna, begeleid door Hajo in de auto en in gedachte vergezeld door Truus, over de rotonde van Hoornsterzwaag naar een klein heitje achter de dorpskerk. Met Nico en zijn hond Ian voorop ging dat natuurlijk uitstekend.
Langs de kant allerhande mensen met fototoestellen. Op een boze automobilist zonder geduld na was het een heerlijke tocht.
Bij het hek naar de hei woont een leuk gezin met een groot zwak voor dieren.
Daar hoefde Twiggy de volgende dag maar met haar buitenaardse ogen te knipperen of ze vielen als een blok voor haar. En omdat ik nu eenmaal bij Twiggy hoor mocht ik ’s avonds mee-eten en lekker douchen na het hoeden.

Het hoeden is hier precisiewerk. Tussen de hoogveenmos en de reptielenbosjes moet het pijpestrootje weg, maar niet de bosbes en de snavelbies.
En laten die nu allemaal vlak bij elkaar groeien! Met 250 schapen op een stuk van 20 meter breed.
Omdat ikzelf bosbes het lekkerste vind ging ik daar maar tussen staan met mijn stok.
Muis lag in het hoogveen, en ik deed schietgebedjes dat de schapen de snavelbies en het reptielenbosje oversloegen want daar kwamen we manschappen te kort.

Ongelofelijk trots was ik op het stukje vlekkeloos onbetreden hoogveen met kortbegraasde oever, tot ik bezoek kreeg van een klein meisje dat me een appeltje kwam brengen, en ik daardoor even niet oplette.
Schapenpootafdrukken in hoogveen zijn helaas niet uit te wissen. Gelukkig is het hoofd monitoring vier weken met vakantie, en heeft het veen in die tussentijd kans om zich te herstellen.

’s Avonds na het inspecteren van een nieuw terreintje vond ik twee heerlijke pannekoekjes op mijn schapentrailertje.
Ik snap niet waar ze het over hebben als ze zeggen dat hei een voedselarme habitat is.

ps; de foto, en ook die van het zandpad uit het stukje hieronder, is van Hajo.


   04 jul

zwart schaap: avondverhaaltje

Het was de hele dag warm geweest. Om niet te zeggen: heet.
In de ochtend lukte het om nog wat te grazen, maar toen de zon begon te schroeien gingen we dicht bijelkaar staan, in onze eigen schaduw, zoals schapen doen als het te warm is om te grazen, en we aten geen spriet meer. Je zag de herder zuchten. Voor de vorm moesten er met een snoeischaar nog wat boompjes kort. Dat was eigenlijk onze taak maar daar hadden we overduidelijk geen zin meer in. Niet veel later gaf ook de herder het op.

Terug in de wei werden we naar een koele plek onder de bomen gebracht. Gek, daar hadden we zelf nog niet aan gedacht. We waren al weer dicht op elkaar midden in de wei gaan staan. Een schaap aanvaardt het lot zoals het komt, en daar is het trots op.
Met onze overvol gestouwde magen was het onmogelijk om niet te dommelen. Maar zelfs als we niet zo snel in slaap waren gevallen hadden we achter die bomen toch niet gezien dat de herder het schapennet verzette.
Een heerlijk stuk sappig vers gras kregen we er ongemerkt bij. Als we het geweten hadden waren we natuurlijk niet gaan slapen. Eten is eten, zelfs als je overvol zit. Als het maar niet op de hei hoeft.
Maar goed, we vielen dus in slaap en lieten onze magen werken.

Het werd avond en door het wegvallen van de maaiende trekkers kon je ineens de kikkers horen zingen.
We werden een voor een wakker, rekten, plasten en keutelden wat en dwarrelden naar onze vertrouwde graasgronden.
Alleen het zwarte schaap lag nog onder de boom. Die hadden we onfatsoenlijk veel zien eten die ochtend.

Aagje ontdekte het nieuwe stuk het eerst. Zoals meestal.
Ze mekkerde zachter dan anders, misschien nog zonder boos opzet, om de avondstilte niet te verstoren, maar nu zagen we onze kans. Stilletjes gaven we het seintje door. Met kleine ingehouden mekkertjes. En slopen toen ongezien met zijn allen het hoge malse gras in.

Toen het zwarte schaap waker werd was er niemand meer te zien.
Meestal word een schaap gewekt doordat er iemand over hem heen begint te springen, of er een vrachtje keutels op z’n neus valt.
Niets van dat alles was gebeurd. Het zwarte schaap zag alleen platgetrapte slaapkuiltjes.
Zoekend keek ze om zich heen.
In de verte stond het busje van de herder, maar herders zijn niet te vertrouwen als je je kudde kwijt bent. Dat weten alle schapen.
De herder stond al te loeren, of misschien leek dat maar zo.
Beeeh! riep het zwarte schaap ongerust. Beeheeeh!
Dat hielp altijd in noodgevallen.
Maar nu niet.
Het bleef oorverdovend stil. Alleen die rotkikkers.
Ongerust begon ze door de wei te springen. Beeeh, Beheh!
In de oude graasgronden vol uitgebloeide zuring…niemand. Langs de sloot met sporen van een onvrijwillige zwempartij. Ook niemand. Het brandnetelstukje…Niets.
Beh! Beheheeeh! Geef antwoord! Ik ben hier!

Helaas…het zwarte schaap had geen vriendinnen in de kudde. Er was niemand die uit gewoonte haar roep beantwoordde.
We stonden achter de hoge rietkraag en hielden ons muisstil. Zo stil als alleen een kudde kan zijn die een gemene streek uithaalt.
Maar het gras was te lekker. Een voor een werden we er naartoe gezogen en zonder dat we het konden tegenhouden begonnen we volmondig te grazen.
Zo kwam het dan ook dat een van ons begon te knorren. Dat moet een schaap nu eenmaal als iets erg lekker is.
Hapje! Natuurlijk!
We keken op om te zien waar die verrader was, en daardoor staken al onze koppen boven de rietkraag uit.

Het zwarte schaap zag dat onmiddelijk. Met een sprintje voegde ze zich bij de kudde en zonder iets te zeggen zette ze de tanden in het verse gras.
Stil graasden we verder, nu weer met zijn allen. Met die typisch ondoorgrondelijke blik die een schaap zo eigen is.


   03 jul

Herdersfeestje

Vanochtend besloot ik om, nadat ik de uitgevloerde schapen in de schaduw had achtergelaten, naar het Keltisch festival te gaan in Nieuweschans. Er viel toch niks te begrazen in deze hitte.
Nieuweschans is een uurtje rijden van hier. Ik hoopte op vrolijke mensen die makkelijk een praatje maken, misschien zelfs een dansje, op een goed gesprek over leerlooien en wol spinnen, verse appelcider en kookpotten boven een vuurtje.
Erika zou er ook zijn met man en kinderen. Erika is ook herder. Ze helpt me af en toe met de schapen over de weg en dat is heel gezellig.
Ik was daardoor niet geheel alleen.
De hondjes stonden in de schaduw bij het kerkhof geparkeerd en aanvaardden zonder protest dat er een dag niet gewerkt hoefde te worden. Handen vrij dus.

Het terrein oogde heel gezellig. Vrouwen in middeleeuwse jurken, mannen met pijl en boog over de schouder, witte tenten en rokende vuurtjes. Stalletjes met edelstenen en zwaarden, gedroogde kruiden en verkleedkleren, allemaal even leuk.

Maar iedereen was met iemand.
Dat kon je trouwens goed zien, want als zij op klompen liep deed hij dat ook. Was hij in het zwart dan was zij in het wit, en als de kinderen in klederdracht liepen wist je zeker dat de ouders op zelfgevlochten sandalen achter een kraam stonden.
Afgezien van Erika, die natuurlijk met haar gezin bezig was, was er niemand om een praatje mee aan te knopen.
Daar zat ik dan, tussen de houten napjes en de aardewerken drinkbekers.
Tuurlijk was de muziek erg leuk. Met mijn ogen dicht zat ik een tijd lekker in het zonnetje te luisteren. Dat voelde bijna als vakantie.
Erika ging naar huis en ik besloot te blijven tot het gemeenschappelijk dansen zou komen, pas om elf uur in de avond. Dan zou het alsnog vanzelf goedkomen met de dag en het gezelschap.
Maar zo lang heb ik het niet uitgehouden.
Een enorme onweersbui barstte los op het moment dat er een nieuwe band ging spelen. Iedereen vluchtte en ik kwam terecht onder een keukenzeil met dronken gothictieners en een dikke zwetende man met een middeleeuwse baard. Toen had ik wel genoeg gezien.
Zodra het droog werd liep ik naar de uitgang.
Ineens hoorde ik mijn naam. Stond uitgerekend herderin Regina voor mijn neus. (voor de niet-kenners; zij is herder in de Kennemerduinen). Van binnen moest ik lachen. Wat een absurd toeval.
Ook met Regina werd het helaas geen gezellig gesprekje.

Wat ben ik blij om weer naar mijn schaapjes te kunnen afreizen.
Ik weet zeker dat Twiggy het fijn vindt als ze me weer ziet.


   02 jul

Het leven is kort: 85 cm

Een dode ringslang. Langs de kant van de weg, met geplette ingewanden. Het profiel van de band nog in zijn rug. Een prachtig dier, 85 cm lang. Hoe oud zou die dan zijn? Minstens tien jaar? Honderd vervellingen verder? Ik heb ‘m zo slangachtig als zijn gebroken lijf het toeliet op de foto gezet.

De dag ervoor zag ik een van zijn nakomelingen, een slangetje van ongeveer 30 cm tussen de houten balken langs de Tjonger wegkruipen. Gelukkig.

Samen met het ei heb ik er een memento mori van gemaakt in een hoekje van de hei. Er droop eerst nog een prachtige bloeddruppel uit zijn bek, maar die werd door een verkeerde beweging helemaal uitgesmeerd. Denk het bloed er maar bij.