www.tegrazen.nl

een zomer vol gemekker … berichten uit Friesland

   14 sep

onder dak

Achterop de heide waar we eigenlijk niet hadden moeten wezen staat een caravan op een heuvel.
Het uitzicht is fantastisch. Over het ven heb je een doorkijkje naar de hei en kun je de zon zien ondergaan achter de maisvelden in de verte.
Op de laatste dag dat de schapen op zijn heide stonden vroeg ik de eigenaar wat hij met de caravan deed.
“Niets”, zei hij. “Hij staat al twee jaar leeg.”
Hij vertelde over de dorpsjeugd die er had huisgehouden, die alles had stukgeslagen en de gordijnen in de fik gestoken. Het was een verhaal van teleurstelling, verontwaardiging en verdriet.
Hij was er nadien nog 1 keer geweest, en had toen de deur afgesloten om er nooit meer te komen.

Ik vroeg of ik er misschien een maandje gebruik van mocht maken. Dan zou ik de caravan een beetje oplappen en lekker droog en warm de septembermaand doorstaan.
De man vond het een goed idee. Hij had zich zorgen lopen maken over mijn busje, of ik daar wel veilig was. Hij had iets vaderlijks, of eigenlijk, schoonvaderigs. Helaas had hij geen aantrekkelijke zoons.

De rondleiding door de caravan was niet hoopgevend.
Het losgerukte gasstel stond met een spiegel en resten van wit poeder midden op de bemodderde vloer, in de gordijnen zaten grote zwarte plekken en overal waren dingen afgerukt en neergesmeten. Alleen de vaasjes met plastic bloemen stonden nog keurig op hun plek.
Het ergste was de zware drukkende schimmellucht die er hing.
We zetten de ramen open, sloten de waterpomp aan en vertrokken.

Die avond was ik opgetogen.
Ik zou de caravan hip gaan restylen, met een grove planken vloer en wellicht een houtkachel. En overal kaarsen, want stroom was er niet. Ik mocht m volgend jaar ook gebruiken, had de man gezegd. Mijn nieuwe buitenverblijf…Ik zag het al helemaal voor me.
Om vuurtjes te stoken en bezoek ontvangen, de was op te hangen en de afwas te laten staan
Alle oranje beige bankjes en het koperbeslag zouden het veld ruimen. Ervoor in de plaats een boomstronk en een tafeltje.
Fijn om een vaste plek te hebben in Schapenland.

De volgende dag ging ik gewapend met de sleutel, een fles Andy, handschoenen, een rol vuilniszakken en een uitstekend humeur naar de caravan.
Van een afstand zag ik al dat ik niet alleen zou zijn.
De man en zijn vrouw, beiden dik in de zestig, stonden met rode hoofden bij de caravan.
Hij klopte de oranje-beige kussens, zij poetste het koper tot het weer glom.
Overduidelijk trots op het interieur hadden zij het zo goed en zo kwaad als ging weer in ere hersteld.

De moed zonk me in de schoenen.
Mijn herinrichtingsplan was al aan duigen gevallen voordat ik de caravan had betreden.
Voor de goede sier hielp ik het laatste beetje schoonmaken, om vervolgens alleen in de schimmellucht achter te blijven.
Mijn goede humeur had een stevige knauw gekregen.

De slaapkamer, die veloursgordijnen had in een onduidelijke kleur, bevatte een besmeurde matras waar het vocht uitdroop. Hier was de lucht echt niet te harden.
“Je kunt hier lekker je bed opmaken”, had de vrouw nog gezegd.
Ik moest er niet aan denken.
Ik pakte de vazen met kunstbloemen en werkte die met drie knusse vloerkleedjes, grootmoeders borduurwerk en de kristallen asbak in de slaapkamerkast. Daarna trok ik de deur dicht en zette er een stoel voor.
Zo, dat ruimde lekker op.

Daar zat ik dan.
Het was niet warmer dan buiten.
Het stonk er meer dan in mijn busje, zelfs meer dan wanneer Amy in de sloot had gezwommen en Muis in de schapekeutels had gezeten, wat die dag toevallig het geval was geweest.
Het was niet gezelliger dan in mijn busje.
En ik wilde er niet slapen.

Voor de vorm heb ik het er vier dagen uitgehouden.
“s Nachts sliep ik in mijn busje, overdag probeerde ik van de caravan te gaan houden.
Dat viel niet mee. Ik vond het er vies en zelfs een beetje eng.
Mijn verstand zei:”Dit is een dak boven je hoofd. Wat is een oranje-beige kussentje en een beetje muf nu in vergelijking tot koude tenen?”
Mijn gevoel zei:”Wegwezen!”
Toen de buren ook nog feest gingen vieren en de kalvermesterij verderop de beerput leegde hield ik het voor gezien.

Mijn ’schoonouders’ begrepen het gelukkig.
Ze gaven me een zelfgekweekte komkommer mee en riepen “Dag, tot volgend jaar!”

Nu sta ik op een zonnige heide. Het ruikt er fris en het is ’s nachts zo donker dat je alle sterren kunt zien.
Ik heb een beetje koude tenen maar heb net een kruik gemaakt.
Het is hier lekker stil.
Mijn busje is zo slecht nog niet.


   03 sep

een web van weitjes 2

Vervolg:

Die avond reed ik naar meneer Visser.
Hij bezat een schattig klein huisje met een enorme heide erachter. Die was helemaal omheind met schapengaas.
Daar ging mijn voornemen om nee tegen de man te zeggen.
In plaats daarvan maakte ik een plan om al mijn schapen ernaartoe te brengen en met de andere kudde nog een afgelegen heideterrein te gaan begrazen.
Maar het lot wilde anders.

De volgende ochtend stond Henry op de stoep met een aanhangwagen waaruit een naargeestig geblaat kwam, donker en rauw.
Voorzichtig manoeuvreerde hij de kar totaan het net waarachter mijn schapen stonden en zei eenvoudig: “daar zijn ze dan.”
In de kar zaten negen rammen van een buitenaardse lelijkheid.
De kille gele ogen lagen diep in de rozige koppen en onder de gedrongen lijven bungelden enorme ballen. Ergens midden onder het lijf zat een ventieltje waaruit voortdurend vocht lekte.
Verlekkerd begluurden ze mijn schapendames.

Dat viel rauw op mijn dak.
Ik was voor mijn gevoel nog in onderhandeling met Henry over de rammen.
Ik wilde namelijk helemaal geen vleesrammen, want dan gaan alle lammeren naar de slager.
Ik wilde van die mooie Schoonebeker rammen in mijn kudde.
En alle ooilammeren houden. En weten welk lam van wie zou zijn.
Maar Schoonebekers brengen minder op als je de ramlammeren naar de slager brengt. En de economische haalbaarheid van een kudde is ook een kant van het vak.

Verdrietig accepteerde ik de aanwezigheid van de monsters.
De eersten staken al brutaal hun dikke snuiten onder een schapenstaart en likten hun lippen. Het was weerzinwekkend.

Henry zag mijn sippe gezicht en besloot tot een compromis.
Ik mocht een aantal van mijn lievelingen in een apart weitje zetten, en samen zouden we voor hen een hele mooie ram uitzoeken. Maar dan wel nu meteen.
We vingen in sneltreinvaart Duopenotti, het zwarte schaap en het rechtlijnige schaap, Silyn en een mooi schaap zonder naam. Scooter liet zich niet gelijk vangen en was daardoor bijna door Henry uitgesloten, maar ik hield vol en tenslotte mocht ze ook mee. Twiggy -daar moet je niet mee willen fokken- het knuffelschaap moest bij de aanrandersgroep blijven.

Vervolgens gingen we gezamelijk op pad door het friese vlakkeland naar de dijk waar de rammen stonden.
Ik was er al eens geweest en had er al éen een naam gegeven.
Helaas, die mocht niet mee.
Maar second best was ook heel ok. Ik doopte hem Coen.
Met Coen en de meisjes reden we naar de heide van meneer Visser, waar ze discreet met zijn allen in het hoge gras verdwenen.

Nu zit ik al dagenlang opgescheept met de monsters. Ze knorren en boeren en gedragen zich als bruten. En ze blijven nog zeker drie weken.
Weg is de gelukzalige vrede van de kudde.
Lang leve de vleesproductie.


   02 sep

Een web van weitjes 1

Vlak bij de twee Kiekenbergen waar mijn schapen moeten grazen ligt een heideveld van een particulier, die gebeld had of we daar niet een paar nachtjes langs konden komen om de boompjes eraf te eten.
Henry had toegezegd, en ik plaatste een nachtraster.

Toen ik op die heide stond met een hongerige kudde kwam er een wandelaar met een schep aan.
“U ziet er ijverig uit met die schep”, opende ik een gesprekje.
Gesprekjes met publiek hoort bij mijn werk.
“Jawel”, zei hij.
“Jij ook met die schapen. Weet je wel zeker dat je hier goed zit?”
Daar had ik nog geen moment over nagedacht. Natuurlijk zat ik daar goed met mijn nachtraster. Henry had het net nog gezien.

“Dat heeft mijn baas geregeld met de eigenaar”, zei ik zelfverzekerd. “Kent u die?”
“Jawel”, zei de man. “Tamelijk goed.” “Maar volgens mij weet hij van niks.”
Ik begon lont te ruiken.
“Bent u soms de beheerder?”, vroeg ik aarzelend.
“Jawel”, klonk het weer.
Friezen zeggen blijkbaar vaak jawel.
En u weet van niks?
“Nee.” zei de man.
Nu zag ik lachrimpeltjes verschijnen. Hij keek eigenlijk best vriendelijk.
“Maar ik vind het prachtig hoor, die schapen. En het is ook wel nodig hier. Laat ze maar lekker staan.”
Opgelucht haalde ik adem, want mijn schapen hadden zich inmiddels een flinke baan door zijn boompjes gevreten.

Vervolgens belde meneer Visser.
Waar die schapen nou bleven.
Hij had de hele ochtend zitten wachten, en nu kon hij niet langer blijven.
Ik mompelde iets over misverstand en maakte een afspraak voor ’s avonds, me vast voornemend om het aanbod voor nóg een nachtraster af te slaan.
(wordt vervolgd)


   28 aug

plens

Ben ik even blij dat ik ‘m zag aankomen, die enorme regenbui met hagelstenen?
Net op tijd om mijn dames in een raster te zetten en naar de bus te rennen.
Daar zitten we nu met zijn drieen, knus achter beslagen ramen, ingesloten door dikke stralen water met ijsblokjes.
Er zijn momenten waarop ik blij ben dat ik niet als schaap ben geboren.


   27 aug

me on youtube

De cameraploeg is langsgeweest op de bloeiende Merskenheide. Zo ziet het leven eruit als de zon schijnt.
Fred heeft mooie opnames gemaakt, en de requisiten (croissantjes en ander achtergrondlekkers) werden verzorgd door Patricia (naast het zoeken van sleutels en scripts).

Er is een truukje dat je het filmpje hier gelijk ziet, maar ik krijg het niet voorelkaar.

Dus maar via deze link:

http://www.youtube.com/watch?v=29DJLbOkSYI


   27 aug

back is rechtsom, round is links

De schapen stonden vol verlangen te wachten tot het grote vreten weer kon beginnen. Blij stroomden ze uit het net, begeleid door een enthousiaste maar nog steeds niet al te snuggere Amy.
Er zijn dagen dat ik er welgemoed vanuit ga dat het steeds beter zal worden met Amy, maar er zijn ook dagen dat ik haar het liefst, om met Henry te spreken, linea recta naar een asiel zou willen brengen.
Dat laatste ga ik natuurlijk nooit doen.
Muis en Amy spelen als twee blije kinderen. Ze slapen poot in poot, neus tegen neus of snuit op rug, zo lief.
En soms, heel soms is Amy de held van de dag. Als ze de Tjonger over zwemt om een schaap te vangen, of op het juiste moment op de juiste plek staat. Maar dat is maar heel heel soms.
Waar Muis zonder een aanwijzing de schapendames de goede kant op stuurt heeft Amy luide kreten nodig en handgebaren. Op een smal paadje neemt ze meestal maar een klein gedeelte van de kudde mee en als ze de groep schapen naar me toe moet brengen komt ze zo vaak om het hoekje kijken of ik er nog wel sta dat er helemaal niets in beweging komt.
Dan staart ze in verwarring met dat ene gekke knak-oor op haar kop in mijn richting met ogen die vragen: “wat nu?”

Vandaag was een dag dat ik al die oenigheid niet kon hebben.
Mijn oor zat al dagen verstopt, er stond een gure wind en er hinkten twee schapen, iets waarvan ik uit mijn humeur raak.
Terwijl ik van het ene schaap de pootjes stond te bekijken dreef Amy met een gezwinde vaart de rest van de kudde naar het enige plekje waar ze niet mochten komen; de drassige zone met veenmos langs het ven. Een zone waar je elk pootafdrukje maandenlang blijft zien.
Toen ik weer opkeek waren ze er al vlakbij.

“Round!” riep ik snel naar Amy. “Linksom!”
Niks aan de hand nog.
Amy keek verbaasd op.
Round? Het ging toch net lekker?

Zoiets als dringende dingen moet je niet aan Amy vragen, ik schreef het al eerder.
Aarzelend liep ze een klein stukje naar links, om dan weer met volle kracht achter de kudde aan te gaan.
Nu liepen de schapen iets meer naar rechts recht op het veenmos af.
Het kon toch nog best goedkomen.

“Round!” riep ik opnieuw, met meer nadruk en een handgebaar.
Ook nu bleef Amy eerst staan en deed daarna weer twee passen naar links.
De schapen waren nu op een meter van de drassige zone en remden niet.

Vloekend liet ik het schaap waar ik mee bezig was los en liep naar Amy toe.
Met handgebaren probeerde ik haar aan de gang te krijgen.
Het werkte helaas averechts.
Achteruitlopend probeerde ze nu van de andere kant de kudde op te duwen.

De voorste schapen stonden al met 1 hoef in de drassige zone.
Ik schreeuwde inmiddels.
‘Back dan maar, snertbeest!”
Vlokken spuug kleefden om mijn mondhoeken.
Amy drentelde naar de waterkant en begon daar te drinken.

Toen knapte er iets.
Ik sprong naar voren en Amy stoof weg.
Brullend en zwaaiend met mijn stok rende ik Amy achterna door de drassige zone.
Schapen vlogen alle kanten op.
Amy was sneller weg dan ik kon zwaaien. Ineens leek ze te begrijpen dat ze pootjes had.

Ik bleef hijgend staan om de chaos te overzien.
In een hoekje van de hei stonden kleine groepjes schapen met elkaar over me te roddelen.
De ontelbare hoefafdrukken in het veenmos waren nu aangevuld met boze laarzenprints en vluchtende hondenpootjes.
Amy stak aan alle kanten uit een te kleine heidepol waarin ze zich tevergeefs probeerde te verstoppen.

Dat was zo’n komisch gezicht dat ik in de lach schoot.
“kom maar” riep ik naar Amy. Met een schuldbewuste snuit kwam ze op mijn voeten zitten.
Ik aaide uitgeput haar oren, en alsof het de gewoonste zaak van de wereld  was dreef ze daarna alle schapen bijeen om ze op de hei te laten grazen.


   27 aug

media-aandacht

Zo, de krant gehaald.
Beslopen door een fotograaf met een telelens.
Het Agrarisch Dagblad, de krant die jullie natuurlijk allemaal in de bus krijgen.
Voor degene die net zijn/haar abonnement heeft opgezegd is hier het artikeltje.

(Om het te kunnen lezen moet je erop klikken, tenzij je bionische ogen hebt).
Let vooral op de titel!


   20 aug

modern klassiek

De zonnige heide lachte me toe toen ik eindelijk weer in Ureterp was aangeland.
Ze bloeit!
Tussen heuvels van sappig groene kraaiheide staan ineens allemaal paarse pollen te stralen.
Dit is het perfecte decor voor een schaapskudde.
We hebben heerlijk de hele middag over de idyllische vlakte gezworven en ondanks de romantiek net op tijd een veld gentiaantjes kunnen ontwijken. Lekker om weer terug te zijn.

De programmering van het avondconcert vond ik wat minder vandaag.
Het was een modern stuk; een triosonate, gespeeld op antieke exemplaren van drie bekende instrumentbouwers: Massey Ferguson, John Deere en Mercedes Benz. De hele avond klonk de compositie over de heide met een volume waar ze bij Lowlands jaloers op zouden zijn.
Waarschijnlijk houd ik gewoon niet genoeg van modern klassiek. Ik heb de schapen daarom vervroegd in hun slaapraster gezet om lekker de stilte van het staatsboskampeerterrein op te zoeken.


   17 aug

inpakken en wegwezen

Terwijl Erika in de regen op mijn schapen lette stond ik vandaag met hulp van Gaby dozen in te pakken in de Kennemerduinen.
Het is zover. Het boshuis moet worden leeggeruimd. Het uitstel tot half september is gestrand op een ambtelijke vakantieperiode.

Het geeft een weemoedig gevoel te weten dat ik hier voor de laatste keer in de avondstilte voor het raam zit te typen.
Van de eikenboom waarachter de zon altijd ondergaat neem ik in stilte al afscheid. Ik bedank haar voor alle mooie momenten.
Dat aanvaardt ze even stoicijns als de regen die nu op haar bladerdak valt.
Morgen slepen we alle gezelligheid uit het huisje, en proppen we die samengepakt in de boerderij en in de schuur hier op het erf.
Dan begint het herdersleven in mijn busje pas serieuze vormen aan te nemen. Nog anderhalve maand te gaan en niet meer echt een thuis om naar terug te verlangen.

Gek genoeg valt het vertrek me niet zo zwaar als ik dacht.
Alsof ik me er de hele tijd in het huisje al op heb voorbereid.
Het wordt tijd om een plek te zoeken die helemaal van mij is.
Ergens diep onder de afscheidsdroefheid kriebelt er ook nieuwsgierigheid.

Vooralsnog heb ik mijn padvindersboerderij weer als onderdak, met al zijn uitdagingen.
Als troost voor die opwekkende gedachte eet ik de hele bak chocolademousse leeg die Gaby voor morgen heeft meegenomen.

Ik wil niet bij alles “laatste keer” denken, anders krijg ik toch nog tranen, maar ik kan het niet voorkomen.

Dan maar gauw gaan slapen….voor de laatste keer in het boshuisje.


   14 aug

steen voor steen

Een onbedwingbare zin om te stapelen overvalt je als je over de smalle paadjes van de Ecokathedraal loopt.
Dat zou je ook kunnen doen, want er liggen gebruikte stenen en stoepranden in grote bergen.
Mijn schapen staan nog geen kilometer verderop te herkauwen, en ik onderzoek of de Ecokathedraal te begrazen valt.

Ik ben in Mildam, in de tuin van Louis le Roy. Daar wilde ik altijd al een keer heen.
Nu blijkt het zomaar om de hoek.
De filosofische kunstenaar stapelt al sinds 1982 steen op steen tot brede muren die nog het meest doen denken aan Incaruines. Na verloop van tijd begroeien de muren en neemt de natuur de vormgeving over. Als samenwerking tussen mens en natuur ontstaat het uiteindelijke gebouw.
Ik vind het een sympathiek idee.
Het is een project dat geen einde kent. Wat doorgaat zolang er stenen bestaan. Geen bouwtekeningen en geen vergunning ook.
Wie mee wil bouwen kan er elke dinsdagmorgen terecht.

Louis le Roy zelf blijkt in geen velden of wegen te bekennen. Het moet een bejaarde man zijn inmiddels. Hij is geboren in 1924.
Ik stel me zo voor dat hij enorme handen moet hebben want de hoeveelheid weggewerkte stenen is overweldigend.
Er zijn ook geen andere murenbouwers overigens.
Ik ben er helemaal alleen en loop tussen een poort in wording en een muurtje de tuin binnen.
Dat lijkt te mogen. Misschien is het zelfs wel een onderdeel van de filosofie achter het project.

De dikte van de gestapelde muren is die van een serieus kasteel. Soms wel enkele meters, gevuld met afvalstenen en puin van de vele op het terrein gestorte donaties van sympathisanten en de gemeente Heerenveen.
Nergens is cement gebruikt en toch zien de muren er betrouwbaar genoeg uit om de oneindigheid van het project te kunnen weerstaan.
Nergens wordt het gestapelde ook echt gevaarlijk. Of echt hoog.
De stapelaars zijn duidelijk nog bezig met de fundamenten.
Daar zit m ook een beetje het gebrek van het bouwsel zoals het er nu ligt, want bogen en poorten kent de kathedraal nog niet en daar verlang je erg naar als je het woord hoort. Een mens is te simpel om oneindigheid te kunnen waarderen.
Mijn handen jeuken om zonder dat iemand het ziet een boog toe te voegen, maar wetende dat dat een enorme klus gaat worden zie ik er wijselijk van af en loop terug naar de uitgang.

Daar valt mijn oog op een afgebroken stuk cementsteen. Het vormt een letter; een d of een P.
In een oogwenk heb ik de steen uit het puin gevist en in een hoekje van de poort gezet.
P… een woord met een P voor in een kathedraal…

Verderop liggen schuin afgesneden stenen met een beetje blauw erop, en voor ik het weet sta ik het woord Pax te stapelen tegen een zijwand van de poort bij de ingang. Als er mensen voorbij fietsen loop ik nonchalant tussen de ruines, zodra ze voorbij zijn zoek ik gauw weer in het puin naar passende stukken. Het heeft me helemaal te pakken. Enthousiast wroet ik tussen de brokken naar schuine stukjes alsof ik net een legpuzzel heb uitgestort.
Pax is een goed woord voor een Ecokathedraal. Het is ook zo lekker vredig in de tuin.
Een beetje aanmatigend is het wel om zo direct bij de poort iets toe te voegen.
Louis zelf heeft nergens woorden gevormd, en wellicht vindt hij dat ook maar niks. Zijn muren zitten vol prachtige patronen en gekke vondsten.
Op een open plek ligt een stuk grafsteen met het woord “rusten” erop, als ware het een aanbeveling. Dat is de enige tekst die ik tegenkwam.
Nu ja. Ook ik gebruik geen cement. Wordt mijn bijdrage niet gewaardeerd dan is deze zo weer in de puinmuur terug te storten.
Ondertussen blijf ik volgen hoe lang “Pax” het volhoudt.
Als jullie ooit de Ecokathedraal bezoeken en het staat er nog, dan blijft dat ons geheim, ok?
Oh ja…van dat begrazen zie ik toch maar af. Mijn schapen zijn in staat om een complete muur om te duwen als er een onbereikbaar blaadje op staat.